Nadere uitleg van het begrip visceraal aspect

De romp van het menselijke lichaam bestaat inwendig uit twee lichaamsholten of caviteiten. De bovenste caviteit, gevormd door de borstkas en de wervelkolom, bevat de longen en het hart. De onderste holte, de zogenaamde abdominale caviteit, die dor het bekken en de wervelkolom gedragen wordt, bevat de verteringsorganen, de urineorganen en de inwendige geslachtorganen. Het middenrif scheidt beide lichaamsholten van elkaar.

De verschillende bewegingen
Zoals alle gebieden in het lichaam, zijn ook de inwendige organen voortdurend in beweging. Ademhaling, vertering, bloedsomloop en zelfs lopen, zijn allemaal bewegingen die op de inwendige organen inwerken. Elk van deze bewegingen wordt bestuurt, hoe spontaan en onbewust de beweging ook mag lijken. De belangrijkste besturing wordt gevormd door een autonoom systeem. Zowel het maagdarmkanaal, als het hart en de ademhaling kennen hun eigen, niet beïnvloedbare besturingssysteem.

Bij het ademen daalt het middenrif en drukt op de inwendige organen van de buik. Deze organen kunnen wegens de wervelkolom en het bekken niet naar achter en naar onder uitwijken en kiezen de weg van de minste weerstand: de buikwand. Wanneer we inademen daalt het middenrif en komt de buikwand naar voren. De organen beschrijven daarbij een schommelachtige glijbeweging. Dat gebeurt bij iedere ademhaling, ongeveer 20.000 keer per dag.

Ook het hartritme, de pulsatie van de hartspier en de grote arteriën, leidt tot bewegingen van de inwendige organen. Met iedere slag pompt het hart zuurstofrijk bloed tot in de kleinste adertjes van de organen. Zoals we bij de pols de hartslag kunnen voelen, is dit ook voelbaar bij alle organen. Het via de hartspier binnenstromende bloed laat de organen kloppen. Een beweging die ongeveer 100.000 maal per dag plaatsvindt.

De peristaltiek is de automatische beweging van het maagdarmkanaal. De spieren in de wanden van de spijsverteringsbuis trekken zich met golfbewegingen samen en daarmee vermengen ze der verteringsbrei en stuwen deze voort. De peristaltische bewegingen hebben een regelmatig ritme, dat ook in ‘rust’ plaatsvindt, wanneer geen voedsel het maagdarmkanaal passeert. Daarnaast is er een variabele beweging, afhankelijk van de vullingstoestand van een orgaan. Bij een volle maag bijvoorbeeld ontstaat elke drie minuten een peristaltische golf, die in ongeveer 20 seconden door de hele maag gaat.

Bovenstaande bewegingen worden ook nog extra bestuurt door het zogenaamde autonome of vegetatieve zenuwstelsel. Dit zenuwstelsel bestuurt de automatismen in het lichaam, die we niet bewust in- of uitschakelen kunnen. Wanneer we rust hebben, bijvoorbeeld bij het slapen is het spijsverteringsstelsel zeer actief en ademen we rustig. Wanneer we actief zijn, bijvoorbeeld bij een rondje hardlopen, ademen we sneller om meer zuurstof rond te kunnen pompen en ligt de spijsvertering nagenoeg stil.
Vervolgens bestaat er ook nog het centrale zenuwstelsel, die alle willekeurige of bewuste bewegingen bestuurt. Wanneer we bijvoorbeeld gaan zitten of opstaan, liedt dit tot bewegingen van het skelet, de wervelkolom en het bekken veranderen hun positie ten opzichte van elkaar. Deze bewegingen leiden ook tot veranderingen in de lichaamsholten en worden overgedragen op de inwendige organen, waardoor deze in beweging worden gezet. Andersom gesteld vormt de beweeglijkheid van de inwendige organen zelfs de voorwaarde voor optimale bewegingen van bijvoorbeeld de heupen en de schouders.

Tenslotte kent de osteopaat nog een besturingssysteem, die tot in alle gebieden van het lichaam doorgevoerd wordt Dit mechanisme wordt de ‘primaire ademhaling’ genoemd (zie hoofdstuk … pagina ….) waarmee de intrinsieke, automatische beweging van alle lichaamsonderdelen bedoeld wordt. Deze eigenbeweging is voor de osteopaat ook aan de inwendige organen voelbaar en wordt motiliteit genoemd.

De viscerale glijvlakken

De bewegingen van de organen vinden niet in de vrije ruimte plaats. Vrije ruimte is niet aanwezig binnen de lichaamsholten; alle organen liggen zeer direct tegen elkaar gegroepeerd. Bovendien kent ieder orgaan(deel) bevestigingsbanden, zowel tussen de organen, als aan de achterste buikwand. Tussen de organen onderling en tussen de organen en de buikwanden worden hierdoor glijvlakken gevormd. Het glijvlak vormt samen met de bevestigingen de richting van de beweging van het betreffende orgaan. Door de nauwgezet te kennis van de anatomie en de embryologie zijn de normale bewegingen van de organen voor de osteopaat herkenbaar. Anders dan bij de gewrichten van het skelet zijn geen spieren nodig om de beweging uit te voeren. Alle bovengenoemde besturingssystemen laten de organen hun bewegingen uitvoeren. Zo beweegt bijvoorbeeld de maag onder invloed van de ademhaling, de peristaltiek, de beweging van de wervelkolom ten opzichte van het middenrif, de achterwand van de buik, de dikke darm, de milt, etc.

De complexiteit van de samenhang van deze bewegingen is daarnaast gekoppeld aan de fysiologie. De fysiologische functie van het orgaan drukt zich voor de osteopaat uit in de mate van vrijheid in beweeglijkheid. Het mag hierdoor duidelijk zijn dat het beroep osteopaat een uitvoerige scholing met zich meebrengt.

Bewegingsbeperkingen inwendige organen

Zolang de inwendige organen hun normale bewegingen kunnen uitvoeren, functioneren zij zoals het hoort. Wordt de beweging echter verstoord of belemmerd, leidt dit volgens de osteopathische visie tot een zogenaamde dysfunctie. Dit kunnen verklevingen zijn, wanneer het orgaan ten opzichte van zijn omgeving niet meer bewegen kan. Het kunnen echter ook bewegingsverminderingen zijn, waardoor de functie van het orgaan verstoord wordt. Het orgaan kan ook in zijn positie veranderd zijn en daarmee zijn glijvlakken negatief beïnvloeden.

Een verder ontwikkelde vorm van positieverandering en bewegingsvermindering is de ptose, de verzakking van een orgaan. Met de toename van de leftijd verliezen weefsels hun elasticiteit en het steunweefsel verslapt. De zwaartekracht doet de rest en de organen volgen de weg naar beneden, waarmee ook hun beweeglijkheid minder wordt. De motiliteit neemt af en de functie wordt belemmerd.

Wanneer de nier gaat wandelen ….

Welke uitwerkingen bewegingsverminderingen hebben, kan men vermoeden, wanneer men bedenkt, dat zich bijvoorbeeld de nier per ademhaling ongeveer 3 cm op en neer beweegt. Bij 16 ademhalingen per minuut, betekend dit een afstand van bijna 700 meter per dag. Veranderd de nier haar beweging of wordt de nier beperkt in haar bewegingsuitslag, dan wordt deze afstand verminderd, Binnen enkele dagen worden vele meters niet uitgevoerd. Een kleine vergelijking naar de dagelijkse bewegingsnoodzaak van ieder mens, doet beseffen dat een bewegingsvermindering ook een functievermindering betekent.

Inderdaad kan een stoornis, hoe klein deze ook zijn mag, wanneer deze maar vaak genoeg herhaald wordt, tot symptomen leiden, die ver weg van de oorspronkelijke stoornis kunnen liggen. De herhaling ligt bij inwendige organen besloten in alle bovengenoemde bewegingen en zal derhalve relatief snel tot symptomen op afstand leiden. Op grond van zijn anatomische en fysiologische kennis kan de osteopaat de samenhang herkennen. Met zijn palpatietechnieken kan hij de dysfuncties vaststellen, met speciale technieken de stoornis verhelpen en daarmee de oorspronkelijke beweging herstellen. De symptomen zullen door deze behandeling verdwijnen, ook al werkt de osteopaat niet op het gebied waar de symptomen zich voordoen.